We hadden al luizenkammen, luizenmantels en luizenmoeders. Maar sinds vorig jaar bestaat er ook een heuse luizendag.

Het is voorbij met het luizenleven. Tenminste, als het aan het Landelijk Steunpunt Hoofdluis (LSH) ligt. Deze stichting –opgericht door ervaringsdeskundigen, zoals ouders met kinderen op school– vindt dat hoofdluis in deze tijd helemaal niet meer voor zou hoeven te komen. Toch wordt nog jaarlijks 15 procent van de kinderen tussen de 4 en de 12 jaar besmet.

Woensdag werd er daarom voor de tweede maal een door het LSH georganiseerde luizendag gehouden. De basisscholen die daaraan meededen, riepen ouders op om massaal de haren van hun kinderen schoon te kammen op de dag voor de luizendag. Op de luizendag zelf werden de kinderen op school gecontroleerd. „Als iedereen meedoet en als iedereen zijn werk doet, kan Nederland op één dag luisvrij zijn”, zegt Ingrid Ligthart, voorzitter van het LSH. „Maar dat is een utopie natuurlijk.”

Hoe is de stand van zaken na Luizendag 2011? „Er zijn toch nog luizen gevonden”, zegt Ligthart. Maar dat had ze wel verwacht. „Je moet de luizendag vooral zien als een ludieke manier om de aandacht te trekken, ook preventief. Ouders worden meestal pas alert als hun kind al luizen heeft. Dan raken ze in paniek. Wij vinden dat alle ouders moeten weten wat er van hen verwacht wordt. Met onze campagne houden we die kennis fris.”

Vergeleken met vorig jaar deden er de afgelopen week iets meer basisscholen mee. „Dit jaar waren het er een kleine 200. Maar als je bedenkt dat er 7000 basisscholen in Nederland zijn, is er nog veel te doen. Een iets actievere houding van ons allemaal zou heel veel schelen.”

Op haar website schrijft de stichting te streven naar een daling van het aantal besmettingen van 15 naar 1 procent in 2014. Dan is het tijd voor een luizenfeest.